Foto

Het zou zomaar kunnen dat je eindelijk eens de tijd hebt om je oude foto’s te digitaliseren. Scan je oude goud om er mooie fotoboeken van te maken. Om een digitaal familiearchief voor het nageslacht op te bouwen. Om de opslagkasten lekker op te ruimen. Om de jonkies te laten zien hoe jouw wereld er vroeger uitzag. Vroeger, toen vintage heel gewoon was!

Wij leggen je hier even uit welke scanmogelijkheden er zijn.

 

ALLEEN FOTO’S SCANNEN

Met al onze scanners kun je foto’s scannen. Het formaat is maximaal A4. Gaat het om kleinere formaten, dan kun je meerdere foto’s op de glasplaat leggen: de scanner herkent ze en maakt er separate scans van. Oude kleurenfoto’s waarvan de kleur is vervaagd komen er vaak weer verrassend goed uit te zien.

 

DIA’S EN NEGATIEVEN SCANNEN

Om dia’s en negatieven te scannen moet er in het deksel van de scanner een lichtpaneel zitten, dat licht door het materiaal heen stuurt. Een of meer houders voor negatieven en dia’s worden meegeleverd. De scanners die wij verkopen zorgen er automatisch voor dat stof en krasjes worden weggecorrigeerd. Bij de eenvoudigste scanner loop je een kleine kans dat er er ook wel eens een takje of een vogeltje wordt weggewerkt, bij de andere modellen verloopt deze correctie perfect. Sommige scanners kunnen naast de gewone kleinbeeldformaat (opnamen ook middenformaat en/of vlakfilm en oude glasplaten scannen.

 

IS HET EEN BEETJE TE DOEN?

Scan je voor beeldschermkwaliteit, dan gaat het scannen best vlot, voor de hoogste kwaliteit (geschikt voor foto-afdrukken) is een scanner al snel een minuut of meer per scan kwijt. Neem dus je tijd en maak vooraf een selectie. In de volautomatische modus hoef je maar een keer op de knop van der scanner te drukken en gaat alles vanzelf. Wil je enige invloed op prestaties en kwaliteit, dan kies je in de scansoftware de thuismodus. Gebruik de professionele stand als je alles in de hand wilt hebben. De scanner maakt eerst snel een prescan; daarmee geef je eventuele correcties en verbeteringen op, zodat je een optimale scan krijgt.

‘Neem nú de tijd je mogelijkheden te verkennen’ is het advies van foto-professional Brendan de Clercq. Kijk wat licht doet, kijk wat je met het omgevingslicht kunt doen, en speel met je camera-instellingen. In de komende weken gaat Brendan ons lekker volstoppen met inspiratie.

BRENDAN, STEL JE WILT THUIS PORTRETFOTO’S MAKEN, HOE GA JE DAN AAN DE SLAG?

Heb je geen flitser, maak dan gebruik dan een raam als lichtbron. ‘Dat kan mooi zacht licht opleveren.De zon moet dan niet rechtstreeks naar binnen vallen. Indirect licht via een raam, dat is mooi. Liefst zou ik dan een flitser aan de andere kant van het model plaatsen. Om de schaduwen op te helderen. Dat mag gewoon een losse opteeklfiter zijn, maar die gebruik je dan wel los van je camera. De flitser ontsteek je via een radio-ontsteker, dus draadloos. De hoeveelheid flitslicht stel je handmatig in, dus je flitser moet wel een manual-instellig hebben. Dit invul-flitslicht wordt uitstekend bruikbaar als je er een flitsparaplu bij gebruikt. Cameraland heeft een houdertje waar je de flitser mee op een statief kunt zetten; daar kan je ook een flitsparaplu in vastmaken.

 

EN ALS JE HET SERIEUZER WILT AANMAKEN, WAT RAAD JIJ DAN AAN?

Het is natuurlijk ideaal als je je licht helemaal in hand hebt. Profoto heeft de A1 in prijs verlaagd, dat is mijn absolute aanrader, in combinatie met de witte doorschijnende paraplu met Backpanel. Die produceert zacht licht met karakter, je hebt er volop creatieve lichtmogelijkheden mee. Om de flitser los van je camera te gebruiken is een simpele koppeling via een radiografische triggerset oké. Wil je alle functies behouden, dan heb je de Profoto Connect nodig. Het enige wat je verder nog wilt is een verstelbaar kopje om hem op een statief te kunnen zetten. Heb je al een flitser, ga dan voor een statiefkopje en een paraplu.

 

OK, DAN HEB JE JE SPULLEN, EN WAT DAN?

Ik ga je niet keihard voorschrijven wat je moet instellen. Je moet het zelf ontdekken, en daar geef ik tips voor.

1. Varieer de afstand van de lichtbron

Hoe dichterbij je je lichtbron bij je model opstelt, des te zachter wordt het licht. Varieer en kijk wat er gebeurt. Schaduw maakt vormen en structuren zichtbaar. Aan jou de keuze: wil je een zacht effect of wil je meer pit in beeld.

2. Bepaal de invloed van het omgevingslicht

Je kunt de kortste sluitertijd gebruiken die jouw camera toelaat, meestal is dat iets rond 1/200 s. Maar als je langere sluitertijden gebruikt geef je het omgevingslicht meer invloed dus dan wordt de achtergrond lichter. Het omgevingslicht krijgt ook meer werking als je het diafragma op een lagere waarde instelt. En dat geldt ook voor de ISO-instelling: gebruik je ISO 400 in plaats van ISO 100, dan wordt je achtergrond ook lichter. En omgekeerd geldt ook: wil je een donkere setting, kies dan de kortste sluitertijd die voor flitsen mogelijk is, hou de ISO laag en kies een hoog diafragmagetal. Dit alles in de M-stand van de camera.

 

EN HOE BEPAAL JE DAN OF JE ONDERWERP NIET TE LICHT OF TE DONKER WORDT?

Simpel: je regelt dat door de output van je flitser te variëren. Gebruik de M-stand van de flitser en regel de hoeveelheid flitslicht handmatig. Mocht je dan nog regelmogelijkheden tekortkomen, dan kun je nog extra variëren met je diafragma.

Lightroom Classic heeft uitgebreide mogelijkheden om lenscorrecties en perspectiefcorrecties uit de voeren. Die laatste worden ook vaak 'lenscorrecties' genoemd, en zaten oorspronkelijk ook gerangschikt onder dezelfde tab, maar een perspectiefcorrectie is heel iets anders dan de correctie van een eigenschap van de lens. In deze tutorial gaan we naar beide kijken. We beginnen met een foto die met een 'normale' combinatie van een camera en een objectief van hetzelfde merk is gemaakt.
 

Stap 1

Vrijwel ieder objectief heeft lensfouten zoals vertekening, vignettering (donkere hoeken), of chromatische aberratie (gekleurde randjes). Lightroom heeft voor een groot aantal objectieven zogenaamde 'lensprofielen', waarmee die afwijkingen gecorrigeerd kunnen worden. Als je 'Correcties profiel inschakelen' aanklikt, dan zoekt Lightroom zelf het juiste profiel bij het gebruikte objectief, via de EXIF-gegevens in de foto.

De correctie voor chromatische aberratie zit niet in dit profiel (wel soms in een ingebouwd lensprofiel, zie volgende kopje). Dat klik je apart aan bij 'Kleurafwijking verwijderen'. Lensprofielen zijn krachtig, maar niet feilloos. Vooral bij extreme beeldhoeken (bij deze foto werd een Sony 12-24mm objectief gebruikt) is het moeilijk om met een enkel profiel alles goed te corrigeren. Zo is vignettering afhankelijk van het gebruikte diafragma, en soms wil je misschien gewoon geen volledige correctie van de vervorming (omdat daardoor ook iets van het beeld kan worden afgesneden). Daarom vind je onderin nog twee schuifjes, waarmee je de mate van correctie kunt aanpassen.

Stap 2

Sommige camerasystemen hebben ingebouwde lensprofielen. Als dat zo is, toont Lightroom een mededeling dat dit profiel al is toegepast. Je kunt deze automatische toepassing ook niet uitzetten. Klik op het 'i' icoontje om informatie daarover te krijgen. Als het alleen om chromatische aberratie gaat, hoeft je niets te doen. 'Kleurafwijking verwijderen' ingeschakeld houden zal ook geen nadelige invloed hebben. Is het ingebouwde profiel ook voorzien van correctie voor vervorming (zoals bij MicroFourThirds vaak het geval is), dan heeft Lightroom meestal geen eigen lensprofiel, omdat dit dan niet meer nodig is.

Stap 3

Soms kan Lightroom niet automatisch het juiste profiel vinden, of kiest het een verkeerd profiel. Dat kan gebeuren als je een objectief van een ander merk hebt gebruikt, en zeker als dat via een adapter gebeurt. Als je bijvoorbeeld een Canon EF 24-70mm f/4L IS via een Metabones adapter op een Sony A7 camera gebruikt, zal die camera het objectief herkennen als een Sony 24-70mm F4 G SSM OSS en dat in de EXIF-data schrijven. Lightroom kiest dan het profiel voor dit Sony objectief. Je kunt dan zelf het juiste profiel opzoeken, maar dat wil je natuurlijk niet voor iedere foto opnieuw hoeven doen.

Gelukkig hoeft dat ook niet. Nadat je het juiste profiel hebt gevonden en ingesteld, klik je achter 'Installatie' en kies je daar voor 'Standaardwaarden nieuw lensprofiel opslaan'. Vanaf nu kiest Lightroom dan het Canonprofiel als die 'Sony lens' in de EXIF-data gevonden wordt.

Stap 4

Als je wilt dat Lightroom volledig automatisch deze lenscorrecties toepast zodra de foto geïmporteerd wordt, moet je daarvoor ook nog een instelling maken. Daarvoor zijn twee mogelijkheden. Allereerst kan je ze in een Ontwikkelen-voorinstelling opslaan. Die voorinstelling kan je dan bij het importeren toepassen. De tweede mogelijkheid is om het in de standaardinstelling van de camera op te nemen. Houd de Alt-toets ingedrukt, dan verandert de knop 'Opnieuw instellen' in 'Standaard inst…'. Klik daarop en kies dan 'Bijwerken tot huidige instellingen' in het dialoogvenster. Bedenk wel twee dingen. Allereerst worden zo alle instellingen opgeslagen, dus zet eerst alle andere bewerkingen op nul! En bedenk dat je dit voor iedere camera apart moet doen.

Stap 5

De enige objectieven waar dit alles nog steeds niet mee werkt, zijn volledig manuele objectieven zoals die van Samyang. Daarbij wordt geen lensinformatie in de EXIF-gegevens opgenomen, en dus kan Lightroom zo'n objectief ook niet herkennen. Hiervoor kan je een speciale Lightroom plug-in gebruiken, waarmee je alsnog die EXIF-gegevens handmatig toevoegt. Deze plug-in heet 'LensTagger' (www.lenstagger.com). Daarna kan Lightroom dan weer het lensprofiel bij het objectief vinden. Omdat de EXIFgegevens eerst moeten worden bijgewerkt in de plug-in, zal je daarna even op 'Opnieuw instellen' moeten drukken om ervoor te zorgen dat Lightroom opnieuw kijkt of het een lensprofiel heeft voor het gebruikte objectief.

Stap 6

Een enkele keer werken alle eerdergenoemde acties nog steeds niet helemaal naar behoren. Misschien dat je gewoon geen lensprofiel hebt. Voor tilt/shift-objectieven maakt Adobe geen profiel, omdat dit alleen bruikbaar zou zijn als er voor iedere mogelijke tilt- en/of shift-instelling een apart profiel wordt gemaakt. En soms is de chromatische aberratie zo afwijkend, dat de automatische correctie niet goed werkt. Dan kan je overschakelen naar de 'Handmatig' tab, waarin je nog drie speciale mogelijkheden hebt.

Om te beginnen heb je hier weer een schuifje voor Vervorming, maar dit werkt veel sterker dan het schuifje in het Profiel blok. Daaronder heb je de mogelijkheid om handmatig, via het aanklikken van de kleurrandjes, een afwijkende chromatische aberratie te corrigeren. En tenslotte heb je weer een schuifje voor Vignetten, maar nu met een tweede schuifje waarmee je het 'Middelpunt' kunt aanpassen. Dat woord is een beetje misleidend, want het gaat niet om het verschuiven van het middelpunt, maar om de mate waarin de correctie tot de hoeken beperkt blijft of ook meer naar het midden van de foto toe werkt.

Stap 7

Schuin naar achteren hellende gebouwen ('vallende lijnen') zijn een bekend fenomeen, vooral als je met een groothoek fotografeert. Dit is echter geen lensfout, maar een vertekening van het perspectief. Het ontstaat doordat je de camera schuin hield, niet omdat je een bepaald objectief gebruikte. Maar omdat je bij gebruik van een groothoek meestal veel dichter bij je onderwerp zult staan dan bij een langere brandpuntsafstand, houd je bij een groothoek je camera veel schuiner. Daarom lijkt het een probleem dat is gerelateerd aan het objectief. Perspectiefcorrecties zitten in hun eigen 'Transformatie' tab.

Lightroom heeft een paar knoppen om het automatisch te doen: 'Vlak' zet alleen de horizon recht en is vooral handig bij landschapsfoto's met een duidelijke horizon, 'Verticaal' corrigeert alleen de vallende lijnen, 'Automatisch' corrigeert beide maar niet te extreem, en 'Volledig' corrigeert wel extreem. De beste methode is echter om het toch handmatig te doen, met 'Met hulplijnen'. Klik op 'Met hulplijnen' of klik op het icoontje linksboven. Je krijgt nu de mogelijkheid om twee lijnen te trekken langs delen van de foto die netjes verticaal zouden moeten zijn.

Je hebt bij de cursor een vierkantje loep, zodat je nauwkeurig kunt zien hoe je de lijn trekt. Lightroom vervormt de foto vervolgens zodanig dat die lijnen nu keurig verticaal lopen. Wil je de lijnen heel nauwkeurig plaatsen, dan zijn je cursorbewegingen soms te sterk. Houd de Alttoets ingedrukt, dan worden die vertraagd. Dit werkt niet bij het plaatsen van de lijnen, maar wel om ze daarna nog extra nauwkeurig iets te corrigeren.

Stap 8

Bij sterke verticale correcties kan het voorkomen dat de bovenkant van gebouwen wordt afgesneden, omdat die gebouwen als het ware 'voorover gekanteld worden' in de foto. Is dat het geval, dan kan je dit met een negatieve waarde van Y-verschuiving corrigeren. De hele foto zakt dan een stukje naar beneden. Soms zie je dan wel een leeg hoekje tevoorschijn komen, zodat je de uitsnede aan de zijkanten wat smaller moet maken. Zie je aan één kant een leeg hoekje komen, dan valt dat soms met een X-verschuiving te corrigeren. Sterke correcties laten gebouwen soms ook een beetje te veel 'uitrekken'. Ze lijken dan smaller en hoger dan ze in werkelijkheid zijn. Dat kan je corrigeren met het 'Verhouding' schuifje.

Stap 9

Naast de meer bekende verticale perspectiefcorrectie, kan je ook het horizontale perspectief in de foto corrigeren. Dat kan apart, maar ook in combinatie met een verticale correctie (probeer dat maar eens met een tilt/shift-objectief!). Bij architectuurfotografie is dit handig omdat je zo een muur met een raam kunt fotograferen, zonder dat de camera in het raam weerspiegeld wordt. Je stelt de camera iets naar opzij op, en fotografeert dan schuin naar links of naar rechts. Daardoor zullen de horizontale lijnen van de muur nu schuin naar elkaar toe lopen, en dat kan je met een horizontale perspectiefcorrectie weer oplossen.

Ook in de natuur kan dit van pas komen. Bij deze foto van Loch Ness was het probleem dat de onderkant zo schuin loopt. Gewoon afsnijden is lelijk omdat je dan dwars door de bomen links snijdt. En met de camera naar rechts lopen was niet mogelijk, omdat de camera zelf ook op die schuine helling stond. Naar rechts lopen zou betekenen dat de camera lager zou komen, waardoor de bomen op de voorgrond het meer uit het zicht gaan onttrekken. We lossen dit op door een horizontale perspectiefcorrectie uit te voeren.

Stap 10

In eerste instantie wordt de foto daar wel erg smal door, want we zouden die schuine lijnen natuurlijk weg moeten snijden, waardoor een soort panoramafoto overblijft. Dat kan een oplossing zijn, maar soms geeft een gedeeltelijke correctie in het andere vlak een verrassend alternatief. Omdat de bomen aan de linkerkant een beetje schuin naar binnen lijken te gaan hangen, werd een verticale correctie met een enkele lijn toegevoegd (voor de eerste correctie heb je altijd twee lijnen nodig, een aanvullende correctie in de andere richting werkt ook al met een enkele lijn).

Verrassend genoeg bleek dit niet alleen die bomen recht te zetten, maar werd het beeld daardoor ook zo vervormd dat het weer binnen de oorspronkelijke 2:3 beeldverhouding past (rechts valt een klein beetje weg, maar dat is hier geen probleem). Deze correctie van de beeldverhouding was weliswaar niet de aanleiding voor het plaatsen van de verticale hulplijn, maar geeft wel een leuke bonus!

Over de auteur

Johan W. Elzenga is een award-winnende freelancefotograaf en redacteur. Hij schrijft boeken over fototechniek en maakt natuurfoto's in alle uithoeken van de aarde. Ook schrijft hij artikelen over het leven in het wild.

Tekst en fotografie door: Johan Elzenga

 
In dit artikel duiken we dieper in de bijzondere technieken voor verscherping.
 

In deze editie duiken we dieper in de bijzondere technieken voor verscherping. Laten we beginnen met wat geschiedenis: in de beginjaren van de digitale fotografie waren de meeste bestanden te klein voor vergrotingen, zelfs voor A3 waren er niet genoeg megapixels. De Nikon D1 uit 1999 bijvoorbeeld, had een resolutie van 2000 x 1312 pixels, 2.7 megapixels. Dat was bij 300 dpi net genoeg voor 17 bij 11 cm! De Kodak Professional DCS 520/Canon D200 hadden 2 megapixels. Toch moesten foto’s gemaakt met die camera’s ook gebruikt worden voor spreads in tijdschriften, dus in A3’s. Uit die tijd dateerden technieken die via slimme algoritmen uit de beperkte informatie in het beeld er details bij rekenden. Dat klinkt een beetje vreemd, maar dit soort technieken werden al vele jaren gebruikt in het leger en in de ruimtevaart, onder meer bij spionagefoto’s van grote afstand. Je zou kunnen zeggen: wat goed genoeg is voor de NASA en het Pentagon, moet ook goed genoeg zijn voor ons. De NASA en het Pentagon gebruikten wel snellere computers en besteedden er meer tijd aan, dus hun algoritmen waren gecompliceerder dan de eerste algoritmen die in de fotografie gebruikt werden.

Aanvankelijk was dit het domein van speciale software, maar toen de camera’s steeds meer megapixels kregen, verkochten die hun algoritmen aan bedrijven als Adobe. In feite waren dit de technieken die nodig waren om het aantal megapixels te verhogen namelijk verscherpingstechnieken. Ze werkten echter niet zoals de ‘gewone’ verscherping door het contrast op randen te verhogen, maar ze waren een stuk slimmer. Alle moderne verscherpingstechnieken van Adobe maken voor een deel daarvan gebruik. Maar Adobe werkt verder aan de ontwikkeling van deze technieken en in feite staan we pas aan het begin ervan.

De allernieuwste technieken maken gebruik van artificiële intelligentie/machine learning, Adobe noemt het Adobe Sensei. Dat komt erop neer dat de software zichzelf verder ontwikkelt en op voor mensen onbegrijpelijke manieren methodes verzint om meer details uit een foto te halen. Hier zullen we de komende jaren nog grote ontwikkelingen zien. Hij wordt in de nieuwste versies van Photoshop en Lightroom nu al toegepast onder de naam details verbeteren, en wordt behandeld aan het eind van dit artikel.

Slimmer verscherpen

Sinds enkele jaren kent Photoshop de functie slim verscherpen. Slim verscherpen in Photoshop CC beschikt over verschillende algoritmes die een stuk beter werken dan het puur verhogen van het contrast op randen (onscherp masker). We hebben net al gezien waarom. Je zou denken: als je slim kunt verscherpen, waarom zou je dan dom verscherpen? Toch zijn er nogal wat mensen – zo vertelde Adobe mij - die de oude technieken nog gebruiken. Niet uit domheid, maar gewoon omdat ze nu eenmaal een bepaalde werkwijze gewend zijn en niet weten dat Adobe de software voortdurend verder ontwikkelt. Dat is meteen ook de reden waarom Adobe oudere technieken niet verwijdert uit Photohop, want niet iedereen vindt het prettig om ineens gedwongen te worden om nieuwe technieken aan te leren. Behalve slim verscherpen zijn er in de nieuwste versie van Photoshop maar liefst vijf andere technieken om te verscherpen te vinden onder Filter > > Verscherpen. De bovenste heet onscherp masker (verouderd) de tweede scherpe randen (idem) de derde scherper (idem) de vierde schokreductie, de vijfde slim verscherpen en de zesde verscherpen (verouderd). Maar ook onder slim verscherpen, vinden we weer technieken die deels verouderd zijn. De belangrijkste is wel bewegingsonscherpte, want die heeft nu een heel eigen venster gekregen (schokreductie).

Scherm schokreductie

Om met deze laatste te beginnen: daar kan nu niet alleen de richting van de onscherpte gekozen worden, maar ook de lengte van de onscherpte. Het is echter ook een goed voorbeeld van de verbeteringen die Adobe doorvoert. Bij sommige foto’s die ik met de Nikon Z7 heb gemaakt, heb ik het elektronische eerste sluitergordijn niet ingeschakeld en bewust een (te) lange sluitertijd gekozen. Daardoor is onscherpte ontstaan, die een ideale kandidaat lijkt voor schokreductie. Met de oude techniek zijn dit soort foto’s weliswaar te verbeteren, maar het resultaat blijft beperkt. Bij de nieuwe techniek werkt het anders. Het belangrijkste verschil is, dat de software zelf bepaalt wat de bewegingsonscherpte is, welke richting die heeft en hoe hij gecompenseerd kan worden. Bij de eerste tets treed er al een enorme verbetering op. Wel lijkt de software iets te enthousiast.

De software kiest zelf een deel van het beeld om het bewegingsspoor vast te stellen. Vaak is het beter om zelf een deel van het beeld te kiezen. Soms geeft de software ook een waarschuwing dat hij niet of niet goed in staat is het bewegingsspoor vast te stellen. De overblijvende te sterke effecten zijn te zien bij de handen. Vanwege de geringe scherptediepte is daar ook onscherpte ontstaan, die echter deels ook uit bewegingsonscherpte bestaat. Correctie van de bewegingsonscherpte is hier ongewenst. Ook zien we hier en daar accenten in details van de huid die we bij een portret liever niet geaccentueerd zien.

Slim verscherpen

Bij slim verscherpen zie we voor een deel al instellingen die we in het vorige artikel besproken hebben: hoeveelheid en straal. Er is echter nog meer. De belangrijkste keus biedt het uitklapmenu dat in de schermafbeelding op vage lens staat. De andere keuzes zijn: Gaussiaans vervagen en bewegingsonscherpte. Over de laatste keus kunnen we kort zijn: het is beter schokreductie te gebruiken, zie hiervoor. Voor Gaussiaans vervagen geldt eigenlijk ook dat hier vage lens beter is. Het verschil met Gaussiaans is namelijk dat bij een vage lens ook een slimmer algoritme toegepast wordt. Daardoor worden zowel minder artefacten (lees: storende randen etc.) geproduceerd als beter verscherpt. Door het ontbreken van de artefacten lijkt het echter alsof vage lens minder goed verscherpt. Dat is niet zo, maar wel kun je met vage lens een grotere verscherping kiezen voordat het storend wordt.

Historiepenseel en lagen/maskers

Bij schokreductie hebben we al gezien dat het historiepenseel een belangrijk hulpmiddel kan zijn bij het voorkomen van een te grote verscherping. Het punt bij het verscherpen is namelijk vrijwel altijd, dat bepaalde details meer verscherping verdragen en/of nodig hebben dan andere. Het historiepenseel biedt een eenvoudige en inzichtelijke manier om die verscherping terug te draaien. Een andere manier is het maken van een tweede laag waarbij de verscherping dan uitsluitend op deze laag wordt toegepast. Omdat in Photoshop de transparantie van een laag traploos in te stellen is, kan de verscherping dus ook traploos ingeschakeld worden. Dat maakt het veel gemakkelijker om deze goed te doseren, want vaak zie je als je na een half uurtje nog eens naar de foto kijkt, de verscherping weer anders. Met een laag wordt het dan gemakkelijk om deze achteraf nog aan te passen, zonder de niet-verscherpte foto opnieuw te moeten bewerken.

Een laag biedt ook de mogelijkheid om een masker te maken. Met behulp van dat masker kun je dan een deel van het beeld (bijvoorbeeld de achtergrond) van verscherping uitsluiten. Ook nu kun je dit effect weer traploos instellen. Je hoeft dan niet meer te kiezen tussen een of geen verscherping, maar kunt ervoor kiezen om sommige delen van het beeld helemaal te verscherpen en andere maar voor een deel, bijvoorbeeld 30%. Op deze manier zijn de mogelijkheden eindeloos.

Details verbeteren

Details verbeteren is een vorm van verscherping die alleen werkt op de RAWbewerking. In feite is het een verbeterde vertaling van de rode, groene en blauwe pixels waaruit een foto bestaat (demozaïeken). Hij werkt dus niet met Foveonsensoren. Hij werkt ook niet met bestanden waarbij gebruik gemaakt wordt van pixel shift of van soortgelijke technieken. Hij werkt weer wel bij foto’s gemaakt met Fujifilm Trans-X-sensoren.

Deze techniek is er zowel bij Lightroom Classic (vanaf versie 8.2) als bij de RAWverwerking van Photoshop (vanaf Adobe Camera RAW 11.2). Je vindt de functie in de modulen Bibliotheek en Ontwikkelen door in de menubalk Foto > Details verbeteren te kiezen of door Ctrl ingedrukt te houden en te klikken (Mac) / met de rechtermuisknop te klikken (Windows) op een RAW-afbeelding in het contextmenu en Details verbeteren te selecteren. Bij ACR moet je op een menu bij de filmstrip klikken.

De software geeft dan een vooraanzicht. Na klikken op verbeteren duurt het een paar minuten (twee tot vijf minuten gemiddeld, je krijgt een inschatting) voordat het resultaat zichtbaar wordt. De verbeterde afbeelding wordt opgeslagen als een nieuw DNG-bestand, maar deze is wel vaak dubbel zo groot.

Conclusie

De nieuwste versies van de Adobe software gebruiken heel andere technieken voor verscherping dan een paar jaren geleden. Al deze technieken zijn in beweging. Om die reden alleen al is het abonnement-model van Adobe aantrekkelijk. Het is echter ook een reden om bij updates toch heel even te lezen wat er veranderd is. Grote kans dat je er meer aan hebt dan je denkt.

Fotografie door: Dré de Man

Insecten zijn ontzettend boeiend om te fotograferen. Het wemelt van de kevers, juffers, sprinkhanen, vliegen, bijen, mieren, rupsen, hommels en vlinders. Hoe kun je een insect goed scherp en gedetailleerd op de foto krijgen? Lees hier allerlei tips om insecten te fotograferen!

Wat heb je nodig?

Voor het fotograferen van insecten heb je een camera nodig die kleine onderwerpen goed vast kan leggen. Als je echte macrofoto's wilt maken met een beeldverhouding van 1:1, waarbij het onderwerp in het echt net zo groot is als op je sensor, dan heb je een camera met een macrolens nodig. Fotografeer je wat grotere insecten zoals vlinders en juffers dan kan het ook met een telelens.

Heb je geen telelens of macrolens? Dan kun je de scherpstelafstand van je huidige lens verkorten door tussenringen te gebruiken. Hierdoor kun je bijvoorbeeld met een 50mm f/1.8 objectief hele mooie macrofoto's maken.

Zelfs met een smartphone kun je goede macrofoto’s maken. Er zijn namelijk speciale opzet lensjes voor je telefoon. Je moet dan wel erg dicht om het insect kruipen waardoor hij sneller wegvliegt of onder een blad gaat zitten.

Bekijk macro objectieven | Bekijk smartphone lensjes

Tussenringen

Een tussenring verkort de minimale scherpstelafstand en deze plaats je tussen het objectief en je camera. Je onderwerp komt daardoor groter in beeld, maar de tussenring heeft verder geen invloed op de beeldkwaliteit. Het is mogelijk om meerdere tussenringen met elkaar te combineren om nog dichterbij te kunnen komen. Een tussenring is, net als een close-up filter, een eenvoudige oplossing om te beginnen met macrofotografie zonder meteen een speciale macrolens te hoeven kopen.

Best verkochte tussenringen

Bekijk alle tussenringen

Close-up filters

Een close-up filter kun je een beetje vergelijken met een vergrootglas en schroef je op je objectief. Het insect komt groter in beeld, maar de vergroting hangt af van de brandpuntsafstand van het objectief waar je het filter op zet. Een close-up filter werkt het beste in combinatie met wat langere brandpuntsafstanden zoals een 85mm lens of langer.

Bekijk close-up filters

Hoe fotografeer je insecten? - 2

Welke instellingen gebruik je?

Bij het fotograferen van insecten moet je nauwkeurig te werk gaan en meestal zit je heel dicht op je onderwerp. Om voldoende scherpte in de foto’s te krijgen is het daarom nodig om voor een hoog f-getal zoals f/8 of nog hoger te kiezen. Het is verstandig om een snelle sluitertijd te gebruiken, zeker wanneer je vanuit de hand fotografeert. Een snelle sluitertijd van bijvoorbeeld 1/500e van een seconde wordt een ‘korte’ sluitertijd genoemd.

De ISO-waarde houd je zo laag mogelijk om ruis in je afbeeldingen te voorkomen, maar het diafragma en de sluitertijd zijn voor het eindresultaat veel belangrijker. Wees daarom niet bang om de ISO omhoog te zetten als je een ander diafragma of een snellere sluitertijd wilt gebruiken voor een betere belichting of een scherpere foto!

Hoe stel je goed scherp op een insect?

De scherpte van een foto is erg belangrijk. Je kunt met een spiegelreflexcamera of een systeemcamera automatisch en handmatig scherpstellen op een insect. De automatische scherpstelling is goed te gebruiken bij stilzittende onderwerpen en insecten die wat groter zijn, bijvoorbeeld vlinders. Maar de autofocus stelt vaak nét op een ander punt scherp dan jij wilt en deze manier van scherpstellen heeft meer moeite met kleinere en bewegende onderwerpen. De scherpte kun je na het automatisch focussen, het beste handmatig finetunen op de ogen. Veel macrofotografen hebben dan ook de voorkeur voor een volledig handmatige scherpstelling omdat het sneller en nauwkeuriger is.

Heb je geen vaste hand, wil je met langere sluitertijden werken of werk je met een objectief met een langere brandpuntsafstand? Fotografeer dan vanaf een statief of een monopod om bewegingsonscherpte te komen. Het werken met lange sluitertijden is bij het fotograferen van insecten heel goed te doen als het windstil is.

Handig om te weten

Veel fotografen maken foto’s van insecten met behulp van tussenringen. Bij de meeste tussenringen werkt de automatische scherpstelling niet. Andere automatische functies blijven wél werken, maar je moet handmatig scherpstellen. Let hier eventueel op als je tussenringen gaat kopen.

Waar en wanneer vind je insecten?

Insecten zijn bijna overal te vinden, maar veelbelovende locaties zijn vijvers, bloemenvelden en natuurlijk je eigen achtertuin. Om specifieke soorten vast te leggen, kun je je online vooraf verdiepen in het insect. Zo kun je gericht op zoek naar favoriete plekjes om ze te vinden!

Overdag zijn de insecten heel erg actief en blijven ze maar kort stilzitten, daarom is het aan te raden om een keer vroeg op pad te gaan. ‘s Morgens zijn veel insecten nog niet zo actief omdat ze moeten opwarmen voordat ze kunnen vliegen. Ze zitten echt te wachten op de eerste zonnestralen. Dit maakt het makkelijker om ze te benaderen. Het licht is ‘s morgens ontzettend mooi en je hebt meer tijd om foto’s te maken. ‘s Avonds koelt het weer af en ook dát is een goed tijdstip om op zoek te gaan naar insecten.

Hoe benader je een insect?

Insecten schrikken van snelle bewegingen en onverwachte veranderingen in hun omgeving. Het is niet moeilijk om een insect dicht te naderen, maar je moet er de tijd voor nemen en wat rustiger aan doen. Loop langzaam naar het insect toe en ga niet te snel op de grond zitten of door de knieën. Op deze manier kom je veel dichterbij een insect dan je in eerste instantie denkt. Zorg er ook voor dat je eigen schaduw niet over het insect beweegt.

Let op de omgeving

De achtergrond, de voorgrond én de ondergrond spelen een grote rol bij het fotograferen van insecten. Maak een bewuste keus in hoeveel je van de omgeving van het insect laat zien. Controleer bij het bekijken van je foto’s niet alleen de scherpte, maar bekijk ook goed wat de achtergrond met je foto doet. Is er een felle bloem die de aandacht wegtrekt van het insect en kun je die misschien buiten beeld houden? Of voegen de net zichtbare strepen van het riet juist wat toe aan de foto? Misschien kun je het beeld wat zachter maken door een stukje op te schuiven en door de begroeiing heen te fotograferen of een blad achter het insect vast te houden met je andere hand.

Standpunt en compositie

Je kunt experimenteren met het standpunt, maar de meeste foto’s van insecten worden gemaakt vanaf ‘ooghoogte’. Je zult regelmatig door de knieën moeten of op de grond liggen voor de mooiste hoek. Er bestaan basisregels voor compositie zoals de ‘Regel van derden’, maar je kunt daar van afwijken. Houd bij het bepalen van de perfecte compositie in ieder geval rekening met aanwezige lijnen en met de positie van de kop. Geef het insect wat meer kijkruimte naast de kop en kader niet te krap. Zo kun je later altijd nog wat van de foto afsnijden voor een betere compositie.

Macrofoto’s en flitsen

Je hebt best veel licht nodig voor het maken van goede macrofoto’s. Een flitser kan uitkomst bieden om meer scherptediepte in een foto te krijgen en je kunt er ongewenste schaduwen mee oplichten. Door de kracht van de flits kun je zelfs bewegingen van een insect bevriezen. Denk aan een ringflitser, een twin light flitser of een ‘gewone’ reportageflitser. Een ringflitser geeft mooi, egaal licht en is eenvoudig in gebruik. Met een twin light flitser kun je heel gericht je onderwerp verlichten, maar dat vergt wel eerst wat meer oefening in de praktijk. Sommige fotografen gebruiken een wit reflectiescherm om schaduwen op te lichten.